zondag 12 juli 2015

Over koeien en pokken en wat die twee met elkaar te maken hebben.


19 juni 1800 dient de dokter in de rue des Pipots in Boulogne de eerste drie pokken-vaccins van Frankrijk toe aan drie meisjes, de demoiselles Beugny, Hédouin en Spitalier.


De pokken was één van die gevreesde ziektes waarmee onze voorouders af te rekenen kregen. Tien procent van de mensen stierf aan pokken en wie het overleefde, moest met een pokdalig gezicht door het leven... en de enige manier waarop je dit kon verbergen was met een dikke laag make-up...


Als je dat weet, kijk je toch wel anders naar de gepoederde nobelen van Versailles.

In een zoektocht om die pokkenepidemie in te dijken, werd voor het eerst geëxperimenteerd met het inoculeren... bacteriën geven aan gezonde mensen om ervoor te zorgen dat ze op de dag dat ze ziek zijn, gewapend zijn tegen de ziekte. Men noemde het "Variolisatie". Bij nogal wat mensen had dit het gewenste effect, maar heel wat anderen werden ziek en stierven.


Een Britse plattelandsdokter, Edward Jenner (geboren 1749 - gestorven 1823) had nogal wat melkmeisjes onder zijn patiënten en hij had ondervonden dat zij, na een lichte vorm van pokken (die hij de koeienpokken of vaccinia noemde), nooit meer de zwaardere mensenpokken kregen. Dit wou hij verder onderzoeken en de zoon van zijn tuinman was zijn eerste proefkonijn. Kleine James Phipps moest gevarioliseerd worden, maar Jenner gaf hem in de plaats wat ziektebacterieën van melkmeisje Sarah Nelmes. En Phipps werd niet ziek bij de volgende pokkenepidemie. Er volgden meer experimenten die allemaal positief uitdraaiden, maar toch was Engeland niet meteen gewonnen voor dat koeiending... er deden de wildste verhalen de ronde, dat je er horens van zou krijgen en uiteindelijk zou je helemaal in een koe veranderen...



17 jaar na het overlijden van Jenner wordt Variolisatie in Engeland verboden, in 1853 wordt de vaccinatie verplicht. Maar zo lang heeft het niet geduurd voor de uitvinding van Jenner over heel Europa verspreid raakt. Zijn leerling dokter Woodville was diegene die in Boulogne de eerste spuitjes uitdeelde en in het park van Boulogne-sur-Mer staat nu het standbeeld van Jenner die in levende lijve nooit in de Franse havenstad is geweest.




Ontdek Jenner en anderen met een standbeeld in Boulogne via deze heerlijke folder van de dienst toerisme ... via deze link

woensdag 3 juni 2015

De vergeten historie van Jan Patate

In de officiële geschiedschrijving van de Franse “pomme de terre” wordt ervan uitgegaan dat de aardappel pas aan het einde van de achttiende eeuw in Frankrijk werd binnengehaald. Dit is ruim tweehonderd jaar later dan de rest van (vooral) Noordelijk Europa. Helemaal klopt deze bewering niet, in het Noorden, in de dorpen aan de grens gelegen tussen Duinkerke en Hondschoote kweken de mensen al in 1622 aardappelen. In dit artikel reconstrueren we waarom de aardappel zo lang aan de zijlijn bleef staan in Frankrijk en herstellen we de figuur van Jan Dequidt uit Warhem in ere.

De officiële Franse versie van l'histoire de la patate, met Mr Antoine Augustin Parmentier in de hoofdrol.

Als je er de Franse geschiedenisboekjes op naslaat, is de historie van la ‘patate en France” onlosmakelijk verbonden met de figuur van Antoine-Augustin Parmentier, een Franse leger-apotheker in dienst bij de Hannoveriaanse regimenten. De man blonk niet uit als militair, hij werd zeven keer gevangen genomen door de vijand, maar bij elke gevangenenruil was hij de eerste naar wie werd gevraagd. Een legerapotheker was zo mogelijk nog onmisbaarder voor een achttiende-eeuws leger dan een vechtende soldaat.

Tijdens zijn korte periodes in Duitse gevangenissen hield Antoine Parmentier zijn ogen en vooral zijn mond wijd open. Hij merkte dat het gevangenisdieet bestaande uit enkel aardappelen, zorgde dat gewonde, zieke en totaal verzwakte Franse soldaten na een paar dagen opknapten en terug op krachten kwamen, puur dankzij die patat.
Bij zijn terugkeer in Parijs is de graanoogst voor de zoveelste maal mislukt, de bevolking lijdt honger. Hij wordt benoemd tot meester-apotheker bij de oorlogsinvaliden (Hotel des Invalides – Parijs) en begint zijn kruistocht voor de aardappel, de knol die de Fransen twee eeuwen lang hebben gemeden als de pest moet het land redden van de hongersnood. Hij vindt een bondgenoot in koning Louis XVI die samen met zijn Marie-Antoinette de gezichten worden van een promo-campagne ten voordele van de knol. Hij bereidt heerlijke diners voor de verzamelde edelen van Versailles met de aardappel in de hoofdrol. 
Op de prent hierboven geeft Parmentier de vorst wat aardappelbloemen om vast te maken aan zijn revers, terwijl Marie Antoinette wat bloemetjes zal invlechten in haar weelderige kapsel.
Als de universiteit van Parijs in 1772 verklaart dat het eten van aardappelen geen enkel gevaar inhoudt voor wie het eet, kan de opmars van la ‘patate’ eindelijk beginnen in Frankrijk. 

Waarom de aardappel in geen tijd immens populair werd in Europa... De knol is een geschenk uit de hemel ...

De aardappel is een knolgewas. Een knol is een ondergrondse opslagplaats van voedingsstoffen die de aardappelplant helpt de winter te overleven en die de basis vormt voor een de nieuwe plant van het komende seizoen. Als de mens aardappelen kweekt en oogst, dan heeft hij meteen een voorraad voedingsstoffen die hem de winter door zullen helpen en legt hij ook de basis voor een nieuwe oogst in het komende jaar. Een aardappel is rijk aan vezels en koolhydraten, maar bevat ook een ferme portie vitaminen. Als de aardappel in 1570 opduikt in Sevilla is dat eerst in een kloostertuin, waar hij voorgeschreven wordt aan mensen die op krachten moeten komen. De verbannen abdis  van het klooster der Ongeschoeide Karmelieten krijgt een pakketje aardappelen opgestuurd door haar opvolgster om haar te helpen de beproevingen te doorstaan. In het Spanje van 1570 moeten kloosterorden flink in de katholieke pas lopen, het patattenklooster van Sevilla is er eentje met nogal wat kritische stemmen. Teresa van Avila was al verbannen uit het klooster dat ze zelf gesticht had en ook Pater Nicolas Doria moet in 1584 terugkeren naar zijn vaderland, Italië. Tijdens zijn terugreis neemt hij in zijn bagage een aantal van die heerlijke knollen mee. Als de bisschop van Vercelli - in 1585 op doorreis in de nieuwe abdij van Pater Doria in Genua - een appelflauwte krijgt, komt hij weer op krachten dankzij de patat. De bisschop van Vercelli is een van de generaals in de strijd tegen de ketterijen en in die functie reist hij tot in de verste uithoeken van Europa, na zijn avonturen in Genua heeft hij altijd een paar patatten in zijn reiskist. Philip de Sivry, gouverneur van Mons ziet met eigen ogen hoe de bisschop – als bij wonder – herstelt en krijgt wat van dat bijzondere medicijn – een paar patatten – cadeau. Hij stuurt wat exemplaren aan zijn vriend, de grote botanicus Charles l’Ecluse, alias Carolus Clusius. De botanicus, afkomstig uit Arras, kreeg zijn opleiding in Vlaanderen, begint aan een reis door Europa die hem van Parijs via Spanje, Portugal en Moerkerke bij Brugge naar Engeland en later naar Wenen brengt om terug in de Lage Landen te belanden als hoofd van de ‘Hortus Botanicus’ van de universiteit van Leiden. Clusius beschrijft in zijn boeken ‘Rariorum Plantarum Historia’ de patat, maar ook de schorseneer, de snijboon, de paardenkastanje, de champignon en de schimmel. De naam van Clusius is ook onlosmakelijk verbonden met de komst van de tulp bij onze noorderburen, maar dat is dan weer een ander verhaal.
De kritische stemmen bij de orde van de ongeschoeide Karmelieten zijn tegen 1600 het zwijgen opgelegd en aartshertogin Isabelle nodigt hen uit om ook anti-ketterse abdijen en kloosters te stichten in de bedreigde gebieden van de Zuidelijke Nederlanden. In 1610 komt er een eerste klooster in Brussel en later andere kloosters over het hele land. En waar de ongeschoeiden ook gaan, schieten aardappelen uit de grond. Zo duiken de knollen op in de buurt van Diksmuide.
De “eerd-appel” wordt meteen een twistappel. In 1520 had Karel V op een van zijn plakkaten vermeldt dat er geen tienden verschuldigd waren voor nieuwe teelten. Bovendien planten de boeren hun ‘eerd-appel’ op het veld dat volgens het drieslagstelsel eens om de drie jaar braak komt te liggen. Twee argumenten waardoor de boeren weigerden tienden te betalen op de aardappeloogst. De kerk dacht hier duidelijk anders over. Oude archieven maken melding van tienden-processen in Esen, Werken, Zarren, Klerken, Merkem en Woumen in 1670.
Het succes en de snelle verspreiding van de aardappel over heel Europa is opmerkelijk, maar makkelijk te verklaren als je de dagelijkse patat naast het dagelijkse brood legt. 
  •  Om een brood te bakken is ongeveer 900 gram graan nodig. In de late Middeleeuwen is ongeveer vier vierkante meter graan nodig voor het bakken van één brood. Eén brood levert één maaltijd aan vijf mensen. 
  • Op vier vierkante meter van een aardappelveld wordt rond 1800 ongeveer zes kilogram aardappelen gekweekt. Met deze opbrengst kunnen 24 mensen één maaltijd eten. 

  • Om een brood te bakken, moet je graan kweken, oogsten, dorsen, malen. Deeg moet je kneden, het moet rusten en rijzen. De oven moet worden verwarmd. Het brood moet worden gebakken.
  • Om een aardappel te koken moet je niet veel doen, breng water aan de kook, kook de patat en klaar is kees. 
De Ieren moesten zoveel werken in dienst van de Engelse landheren dat zij geen tijd meer hadden om voor het eigen gezin te kweken. De aardappel was meer dan welkom en in korte tijd werd de hele Ierse boerenbevolking volledig afhankelijk van de aardappel voor zijn dagelijkse maaltijd.
  • Graanoogsten mislukken vaak in de kleine IJstijd van de late Middeleeuwen, na een harde of een kletsnatte winter is er niets te oogsten, alles wat nog rest wordt door de uitgehongerde bevolking opgegeten, waardoor ook het zaaigoed voor het komende jaar verloren gaat. 
  • Zeker in de beginjaren van de patat, mislukt geen enkele oogst. Het is pas halverwege de negentiende eeuw dat de schimmel en later ook de coloradokever de pret komen bederven.  

  • De zestiende, zeventiende en achttiende eeuw zijn voor onze regionen een opeenvolging van oorlogen en conflicten. Als een leger voorbijgetrokken is blijft van een graanveld niet veel over. Alles is plat getrappeld, geplunderd als het al niet in vlammen is opgegaan.  
  • Als het leger over een aardappelveld marcheert, dan zal er uiteraard ook schade zijn, maar er valt ook na de doortocht nog iets te redden van wat de boer in de grond had gestopt.
Frederik van Pruisen liet zijn bevolking zoveel mogelijk aardappelen planten in voorbereiding op de oorlog met Oostenrijk. De Beierse Secessieoorlog gaat de geschiedenisboekjes in als de Kartoffelkrieg. (1778-79)

Waarom de katholieke kerk gruwt van de nieuwe knol uit West-Indië: De patat is een geschenk van de duivel. 

De aardappelen is familie van de Nachtschade. (Solanaceeën). De nachtschade-achtigen die voor de ontdekkingsreizen van de Spanjaarden bij ons bekend waren, stonden bekend als bijzonder krachtige medicinale middelen. Belladonna bijvoorbeeld, ook bekend als doodskruid, wolfskers en slaapbes stond bekend als een verdovend en hallucinogeen middel. Het feit dat het plantje ook nog zwarte giftige bessen en zwarte bloemen draagt, maakte het tot de plant van de Duivel. Met wolfskers wordt heksenzalf geprepareerd, wie heksenzalf onder zijn oksels wrijft, maakt een trip. Anderen zien hoe die persoon blijft liggen, maar zelf vertelt hij achteraf dat hij het gevoel had te vliegen. Er werd zelfs verteld dat het voelde alsof je ‘het’ deed met de duivel. 
Ander katholiek argument tegen de patat is dat de Bijbel de mensen vraagt te bidden voor het ‘dagelijkse brood’ – panem nostrum quitidianum da nobis hodie.  En brood hoort dus brood te zijn, en niet vervangen te worden door aardappelen. De aardappel komt ook nergens in de Bijbel voor, dus is de plant niet door onze God geschapen. Aardappelen zijn ook vaak bultige knollen die in het donker onder de grond groeien. Volgens heel wat donderprekers opnieuw een duidelijke verwijzing naar de aardappel als duivels werktuig.
En de actie “beschadig de reputatie van de patat” blijft duren. Vanaf de zeventiende eeuw wordt de aardappel heel vaak in verband gebracht met lepra. In die tijd waren nogal wat dokters ervan overtuigd dat de vorm van een plant een aanwijzing was voor het orgaan waarvoor het medicinaal goed was, dit noemt men de signatuurleer. Zo werd ogentroost, een plant met een bloemetje dat lijkt op een geopend oog, gebruikt om oogkwalen te genezen. Het longkruid was goed voor longaandoeningen en een walnoot was ideaal voor een hersenkwaaltje. In dit rijtje hoort ook de knoestige patat thuis die verwijst naar het gehavende gezicht van de leprapatiënt. Gaspard Bauhin schrijft in 1620:  “Men heeft mij verteld dat de Bourgondiërs zich nu het gebruik van deze knollen hebben ontzegd omdat zij ervan overtuigd zijn dat het eten ervan lepra veroorzaakt.”
  
  


Maar de ware reden voor deze anti-aardappel-lobby is - zoals zo vaak in de geschiedenis - economisch. We hebben het al even gehad over de discussie van de tienden op de aardappel. Het maakt dat de inkomsten uit de aardappeloogst voor de katholieke kerk geen zekerheid zijn. En verder is de patat echt een teken van armoede. De patat werd oorspronkelijk gekweekt als wintervoer voor de beesten. Enkel wie zo wanhopig is als de allerarmsten, verlaagt zich tot het eten van die smurrie. Met het varkensvoer wordt dan weer verwezen naar het verhaal van de arme verloren zoon die moest eten uit de trog samen met de varkens. Wat de haring was voor de arme visser, was de patat voor de arme boer: iets waar niets mee te verdienen was en enkel kon dienen om je eigen honger te stillen. Volgend citaat komt uit de Franse adellijke kringen van de achttiende eeuw. “Door de melige smaak, zijn natuurlijke flauwheid en ongezonde eigenschappen is deze flatulente en onverteerbare spijs teruggestuurd naar het volk. Zij hebben een grover gehemelte en eten alles wat de honger maar kan stillen.”
In de bergachtige streken van de Dauphiné en Piemonte leven de volgelingen van Petrus Waldo (1140-1218) in complete armoede. ‘Voor een kameel is het makkelijker om door het oog van een naald te kruipen, dan voor een rijke om in de hemel te komen.” Ze voeden zich met wat ze zelf kweken en ze kiezen al vlug voor de aardappel. Als Alva vanaf 1567 troepen noordwaarts stuurt doet hij dat niet via de Noordzee waar de schepen van de Engelsen en Hollanders baas zijn, maar via een route vanuit Italië, via Bourgondië naar de Zuidelijke Nederlanden. De Waldenzen worden op hun beurt over heel Europa opgejaagd. Ze nemen hun aardappel, die zij de taratouffle noemen met zich mee.
De patat zat in die periode waarin alles en iedereen werd ingedeeld in pro- of antikatholiek in het verkeerde kamp. Na de ‘Nuit de Saint-Bartelomy” in 1572, de moord op Hendrik IV (1610) en het herroepen van de godsdienstvrijheid door Lodewijk XIV (1685) moesten niet alleen de Hugenoten hun biezen pakken in het koninkrijk Frankrijk, maar werd ook die duivelse patat gebannen. Volgens de officiële geschiedschrijving is Frankrijk volledig patatvrij tot de apothicaire-militaire, mr. Antoine Augustin Parmentier, de Fransen met de knol van de hongersnood redt.



De vergeten historie van Jan Patat

In 1722, zeventien jaar voor Antoine Parmentier geborden wordt, kweekt Jan Dequidt uit Warhem met groot succes aardappelen op zijn akkers. De godsdienstoorlogen van de zestiende en zeventiende eeuw hebben in de Westhoek van Vlaanderen het hele sociale leven uit elkaar geslagen. Dit geldt ook voor de familie Dequidt. Jan is in Warhem gebleven, terwijl anderen van zijn familie gevlucht zijn richting Nederland. De oorlogen van Lodewijk XIV hebben ervoor gezorgd dat de grens tussen Frankrijk en de Nederlanden net ten oosten van Warhem komt te liggen (1713). Jan spreekt dus nog Vlaams, maar is officieel een Fransman. Op een dag krijgt Jan post uit Amsterdam. Zijn neef stuurt hem een paar wonderlijke knollen. Jan steekt de knollen in de grond, zoals zijn neef hem gezegd had en kan zijn ogen niet geloven als hij een seizoen later de grond omwoelt op zoek naar aardappelen. Hij trekt met de knollen naar de markt in Duinkerke, maar daar vindt hij geen enkele klant die knollen wil. Daarom deelt hij zijn oogst uit aan bevriende boeren uit Warhem, die op hun beurt aardappelen kweken.
Dat de kweek succesvol is, blijkt uit het feit dat Dequidt en een aantal van zijn collega’s in 1727 voor de rechtbank moeten verschijnen wegens het niet betalen van tienden op de aardappeloogst aan de kerkelijke overheid, zijnde de abdij van Sint Winoksbergen. De katholieke kerk zou hem geen proces aangedaan hebben als de opbrengst niet de moeite was geweest. Dequidt verliest het proces en moet betalen.
Maar hiermee is de kous niet af. In 1773 wordt zowat de hele Warhemse bevolking voor de rechter gedaagd, de hoofman, zijn gezetenen en de inwoners. “Mémoire pour sa grandeur l’Eveque d’Ypres et les Abbés et religieux de St Winoc de Bergues contre les hoofman, assesseurs et habitants de Warhem appelants de la sentence rendue par les officiers du bailliage royal et siège présidial de Flandre à Bailleul le 5 Mars 1773. » In de jaren die volgen komen er nog meer tiendeprocessen in gemeenten in de buurt. Er zijn archiefstukken in Quadypre, Wormhout, Steene, Houtkerke, Eskelbeke, Hoymille, Killem, Socx, Bièrne, Coudekerke, Teteghem en Petite Synthe en alle processen worden gewonnen worden door de Kerk.
Jan Dequidt en de mensen van de streek zullen heel wat achterstallige ‘dîmes’ betaald hebben na de processen, maar de archiefstukken zorgen er wel voor dat we tot op vandaag kunnen bewijzen dat de patat in dit stukje Noord-Frankrijk populair was nog voor Parmentier met aardappelbloemetjes zwaaide in de straten van Parijs.

Ook vandaag is de patat populair in het Noorden en in de Pas de Calais. Samen zijn deze twee departementen goed voor 51% van de aardappeloogst in Frankrijk.
Zoals het het Noorden past, worden de helden in ere gehouden door de dorpsreus naar hen te boetseren. In Warhem wandelt Jan Patate door de straten als het feest is. De reus werd ‘geboren’ in 1987.

Honderd jaar nadat de Hollandse schoolmeester Kornelis Lieuwes de Vries het bintjes-ras kweekt, wordt in Hondschoote Madame Bintje geboren (2005).  Er zijn geruchten dat de reuzin uit Hondschoote zich binnenkort zou verloven met de knappe Jan Patate uit Warhem.  
Misschien wordt het huwelijk wel ingezegend door Kikseki de eerste, de Vlaamse versie van een Azteekse godheid. Kikseki is de ‘reuze’ van Esquelbecq.
Waarschijnlijk zal de neef van Jan Patate dan ook naar Warhem afzakken voor het feest. Zijn naam is Hilaire Patate en hij is de reus van Rosendaël, het tuinbouwdorp aan de rand van Duinkerke. 
Hopelijk kunnen ze op die dag de aardappeldieven op afstand houden. In de buurt van Douai ligt het dorpje Marquette-en-Ostrevant waar Oscar el voleur ed pinn’ter de reus is. El voleur ed pinn’ter is het ch’ti voor “de aardappeldief”. De reus herdenkt de vele arbeiders in deze regio die ondanks het harde werken honger leden en dus aardappelen gingen stelen op de terugweg van de fabriek.


En nog een laatste tip voor de die-hard-aardappel-fans onder ons. In Esquelbecq kunt u tot ridder geslagen worden in de confrerie des Fous de la Patate Aztèque. Voorwaarde is dat u zichzelf absoluut niet au serieux neemt en dat u houdt van patatten en ook van het Vlaams. 

Leden van de confrerie wandelen op de feestdagen rond met een kleed gemaakt uit een ‘patate’-zak en versierd met gepaste ijver door de drager zelf. De aardappel-zakken zorgen voor de nodige geur, maar ook de andere zintuigen worden door de confrerie aangesproken. Wie tot de confrerie behoort zorgt dat hij gek maar mooi gekleed gaat. Bij elk feest laat de confrerie haar hymne horen met de inspirerende tekst ‘Lundi des patates, mardi des patates, …”  en uiteraard laat een lid van de confrerie de hele wereld proeven van de aardappel in al zijn vormen en verschijningen.



Geraadpleegde bronnen
-       Heemkundig bundel – diverse auteurs – l’ Histoire de Warhem
-       Brood voor de armen – geschiedenis van de aardappel, ketters, kloosterlingen en kerkvorsten – door Willem H Oliemans.
-       Patatfooi: de gouden geschiedenis van een bescheiden knol – Eddie Niesten.
-       Geschiedenis Magazine JRG 43 nr 5 – p 34 – Artikel Aardappel: vloek of zegen.
-       EOS JRG 9 – 1992 nr 10 – Artikel: de aardappel: van gif tot medicijn.
-       Wikipedia en diverse andere websites.
Met dank aan de mensen van de dienste toerisme Warhem – Esquelbecq. 

zaterdag 9 mei 2015

70 jaar geleden - 9 mei 1945 in Duinkerke

Op 8 mei 1945 viert heel de geallieerde wereld feest. Duitsland heeft zich overgegeven. De oorlog is gewonnen. Vijf jaar eerder zag het er helemaal anders uit op de stranden van Duinkerke, de oorlog was op 4 juni 1940 zo goed als verloren. 
En in datzelfde Duinkerke is op 8 mei de oorlog nog niet voorbij. De Duitse vice-admiraal weigert de berichten vanuit Berlijn te geloven tot hij uit goede bron de bevestiging heeft ontvangen en onderhandelt met de Tsjechoslovaakse troepen de voorwaarden voor de aftocht. 


In de loop van de oorlog (na het vertrek van de Engelsen en Fransen uit Duinkerke) heeft het derde rijk de haven van Duinkerke uitgebouwd tot een vesting, een fort dat quasi onneembaar is. De sluis van Wattier (zie foto) bijvoorbeeld wordt omgebouwd tot een bunker voor u-boten. Hoewel deze sluis ondertussen terug een gewone zeesluis is, zijn de sporen van dat verleden nog prominent zichtbaar. 
En dan in september 44, dorp na dorp, stad na stad wordt bevrijd... Onderweg worden keuzes gemaakt die de bevrijding van Duinkerke een vreemde wending zullen geven.

Begin september 1944 beseffen Britse en Amerikaanse bevrijders dat de havens van levensbelang zijn voor de constante aanvoer van middelen voor de troepen, er moet gekozen worden voor Antwerpen/Rotterdam/Zeebrugge of Duinkerke/Calais. Van de haven van Duinkerke blijft niet veel meer over en geen enkele Engelsman staat te springen om nog eens naar "bloody Dunkirk" af te reizen. Montgomery en Eisenhouwer beslissen op 13 september dat Antwerpen eerste prioriteit moet krijgen. Zij laten aan de Canadese bevelhebber Harry Crerar weten... ''We zien voorlopig af van acties rond Duinkerke, we zullen dit probleem later aanpakken."

Friedrich Frisius
Ook de Duitsers beseffen dat de havens van extreem groot belang zijn, als er nog een waterkans is op de overwinning, dan ligt die kans bij de havens. Op 4 september 1944 roept Hitler Duinkerke uit tot vesting die "bis zum letzten man" verdedigd moet worden. Hij rekent hiervoor op zijn mannetje ter plaatse. Friedrich Frisius is al sinds 1941 commandant van de troepen die de Pas-de-Calais moeten verdedigen. Frisius is een fanatiek kereltje, overtuigd van de suprematie van de Duitsers, grote fan van de Führer en zeker van een Duitse overwinning. En Hitler weet hem te motiveren door hem eind september te bevorderen tot vice-admiraal. Op dat ogenblik kan hij het schouderklopje vanuit Berlijn wel gebruiken, want het gaat niet goed met de havens van de Pas-de-Calais die hij moet verdedigen. Op 19 september valt Boulogne, op 30 september (de dag waarop hij zijn bevordering krijgt) Calais.

Vanaf 7 september vallen de Canadezen de voorsteden ten westen van Duinkerke aan.  De tegenstand is groot maar op 9 september wappert de Canadese vlag in Loon-Plage, op de 9de in Craywick, de 17de in Mardyck. Ondertussen bevrijden andere troepen Veurne, Nieuwpoort en De Panne. Op 15 september worden Ghyvelde en Bray-Dunes bevrijd. Frisius is omsingeld. De geallieerden beginnen met de belegering van Duinkerke. Als op 28 september ook Oostende bevrijd wordt, gebruiken de geallieerden deze haven voor de bevoorrading en verliest Duinkerke elk strategisch belang. Het "probleem dat ze later zullen aanpakken", raakt vergeten. 
Canadees militair voertuig in de (nog lege) straten van Calais - september 1944
De geallieerden die de Duitse troepen in Duinkerke moeten belegeren (Tsjechoslovaakse troepen) doen niet veel meer dan het afsnijden van alle bevoorrading vanuit de zee en vanuit de lucht en verder wachten ze tot de Duisters opgeven. Maar Frisius is nog niet van plan om de hoop op te geven. Zijn orders uit Berlijn waren duidelijk... 'bis zum Letzten man"... In de nacht van 26 op 27 september 1944 probeert hij uit te breken via Ghyvelde en Bray-Dunes. De poging mislukt, maar de geallieerden zijn gewaarschuwd. 
De Moeren in 1944 
Op 4 oktober kan het Rode Kruis bekomen dat de 18000 burgers en gewonden die nog in de stad zijn geëvacueerd kunnen worden.  Na die ontruiming verhevigen de Tsjechoslovaken hun acties en vanaf november 1944 voeren ze regelmatig raids uit op de buitenwijken. Alles gebeurt in extreem modderig terrein, in maart 1944 zagen de Duitsers de bui al hangen en om zich te verdedigen tegen de aanvallen die zouden komen zetten ze de sluizen in Duinkerke open en de vlakte van de Moeren onder water. 


En zo gaat de belegering van Duinkerke verder. Op 30 april 1945 pleegt Hitler zelfmoord. Frisius gelooft het niet en wacht op bevestiging vanuit Berlijn. Op 8 mei 1945 geeft Duitsland zich over. Frisius gelooft het niet en wacht tot de negende op bevestiging vanuit Berlijn, waarop hij zich 'onvoorwaardelijk' overgeeft. De Tsjecheslovaken onder leiding van commandant Liska marcheren de stad binnen. Duinkerke is bevrijd. Op 10 mei vallen nog een aantal plaatsen in Bretagne (Lorient onder andere) en op 11 mei wordt Saint-Nazaire als allerlaatste Franse stad bevrijd, het is geen toeval dat al die laatste staden havensteden zijn. 


En zo zag (een voor de gelegenheid opgekuist deeltje van Duinkerke er uit) in augustus 1945 bij het bezoek van Charles De Gaulle... 


zondag 3 mei 2015

29 mei 1940 - Douaisien, een Franse cargo.

In het vorige artikel over zinkende Britse schepen op 1 juni, is even sprake van de Douaisien, een Frans cargo-schip dat daar een paar dagen eerder zonk.


De Douaisien had al een hele voorgeschiedenis achter de rug als ze op het verkeerde moment (20 mei 1940) op de verkeerde plek is (in de haven van Duinkerke). Het schip was bij de scheepswerf van Emden te water gelaten in 1921 onder de naam Danzig, maar wordt meteen opgekocht door een Britse reder die hem in hetzelfde jaar nog herdoopt tot de Sunhaven. In 1925 krijgt het opnieuw een andere eigenaar (deze keer in Marseille) en een nieuwe naam, de Mont Aigoual, in 1934 verhuist het schip naar Duinkerke onder de naam Miliana om uiteindelijk in Duinkerke te blijven (als eigendom van een Parijse reder) vanaf 1936 als de Douasien. 

Op 20 mei ligt het in zijn thuishaven als het opgeëist wordt om te helpen bij het evacueren van kostbaar materiaal uit de haven van Duinkerke. De Douaisien ligt in de Bassin Freycinet, dit is het havendok net achter de citadel, ten noorden van de universiteit dezer dagen, waar ook de Halle au Sucre is. 
Het gaat over een lading wol in balen die koste wat kost uit de handen van de Duitsers moeten gehouden worden. Op 20 mei begint het laden. 
Op 21 mei - tijdens het laden - vallen de eerste bommen op de kaaien waar de Douaisien ligt. Er zijn wat kleine gaatjes in de romp en er valt een gewonde. 
Op 22 mei moet de kapitein Charles Desse op zoek naar dokwerkers voor het laden, er wordt gezegd dat alle burgers uit Duinkerke verdwenen zijn. Charles maakt de legerleiding duidelijk dat als zij wensen dat de lading verscheept wordt, dat zij dan moeten helpen laden. De 22ste laden soldaten de balen wol in de Douaisien, al lijkt iedereen zich af te vragen waarom in godsnaam een dergelijke lading wol prioriteit moet krijgen. De 23ste wordt verder geladen maar voortdurend alarm en dekking zoeken zorgt ervoor dat niets nog vooruit gaat. Vanaf de 24ste wordt de Douaisien door de soldaten genegeerd, er wordt niet meer geladen en uitvaren mag ook al niet omdat dat te gevaarlijk is. 
Saint-Camille
De 25ste vliegen weer Duitsers over die brandbommen gooien. Tussen twee alarm-signalen heeft de bemanning de handen vol met het blussen van brandjes aan boord. Tegen de avond is er even rust wat vier cargo-schepen met levensmiddelen en munitie de kans geeft om binnen te varen. Het zijn de Saint Camille, de Cérès, de Monique Schiaffino en de Cap Tafelneh, vertrokken vanuit Brest. Bij het binnenvaren raakt de Saint Camille een magnetische mijn en ontploft, de bemanning kan zich redden maar het schip zinkt.
Vanaf 27 mei 1940 loopt de situatie uit de hand aan de kaaien waar geladen moest worden. Om 22 uur valt een bom en raakt het cargoschip de Monique Sciaffino. De brand van de Sciaffino slaat over op de Aden. Men besluit dat het tijd is om er van onder te muizen bij de eerste gelegenheid. Die biedt zich aan de 28ste als het donker wordt. Aan boord van de Douasien bevinden zich de eigen bemanning, de bemanning van de Aden en die van de Saint Camille. Ook de bemanning van een loods de Puissant komt erbij. Er zijn in totaal 1200 personen aan boord, samen met 1500 balen wol en ook nog 300 ton metaalafval. De nacht is donker, er is een kans dat ze kunnen ontkomen. Ze vertrekken tegen middernacht van kortbij gevolgd door vijf sleepboten volgeladen met Britse soldaten. Dan volgt - om 0 uur 10 - vanuit het niets de explosie. Vermoedelijk gaat het om een mijn die ontploft al schrijven Duitse verslagen het zinken van de Douaisien toe aan een torpedo afgevuurd door de U64-onderzeeër. 
Alles aan boord wordt door elkaar geschud, het anker raakt door de schok los en plant zich in de bodem. De Douasien drijft weg en sleept zijn anker mee in Oostelijke richting. Om 3 uur stuurt de kapitein een noodsignaal uit. Reddingssloepen worden te water gelaten, maar die zijn niet voorzien op 1200 personen. De vijf sleepboten zitten al overvol en vervolgen hun weg. Ondertussen helt de Douaisien gevaarlijk over naar bakboord. Iedereen moet aan stuurboordzijde plaats nemen om tegengewicht te vormen, maar iedereen vreest het moment dat de lading gaat schuiven. Het duurt tot de ochtend voor een Engelse torpedojager halt houdt, er wordt geoordeeld dat de situatie niet dringend is voor deze mannen en  de Engelsen varen verder. Ondertussen worden kleine groepjes met de heen en weer varende sloepen en andere kleine scheepjes van boord gehaald, een politievaartuig ontzet de gewonden. Uiteindelijk zijn het schepen van de kustwacht die tegen 22 uur 15 de laatste 200 man (waaronder kapitein Desse) van boord halen. Behalve de drie doden bij de explosie, valt de tol nog mee. Nu rust alle hoop op de Mars, een ander Frans cargoschip dat onderweg is en dat hen uit Duinkerke moet weghalen. Halverwege de volgende namiddag komt ook van dat front slecht nieuws. De Mars is gezonken. De omstandigheden van het zinken van de Mars en zijn positie zijn tot op heden onbekend. 
De Mars

In de haven krijgt de kapitein de raad om 'zijn plan te trekken'. 'Il faut vous debrouiller pour quitter Dunkerque.' Kapitein Desse stelt aan zijn bemanning voor om in de vissershaven te kijken of er schepen ter beschikking zijn. Ze vinden er vier sloepen die ze weer doen varen, maar ze worden door de Engelsen terug van het schip gehaald. Uiteindelijk zal het grootste deel van de mannen die aan boord van de Douaisien waren geëvacueerd worden met de Franse mijnenveger - De Monique Camille. De Douaisien vergaat en blijft liggen op de bodem van de zee in de buurt van Zuydcoote, waar hij een paar dagen later het gezelschap krijgt van de Keith, de St Abbs en de Skipjack. (zie plannetje) 

Op duik-websites worden de wrakken van de Keith (drie sterren) en die van de Douaisis (twee sterren) aangeprezen als duiklocaties. 

Douaisien 
Franse Cargo – burgerschip
Afmetingen : 102,50m x 14,60m
In gebruik genomen op februari 1921
Wrak bevindt zich op een diepte van 28 meter.
Positie: 51.04.636 N – 2.27.221 E
Gezonken op 29 mei 1940


Sainte Camille 
Franse Cargo – burgerschip
Afmetingen : 94,54m x 14,17m x 6,81m  
In gebruik genomen op september 1920
Wrak bevindt zich op een diepte van 9 meter.
Positie: 51.04.432 N – 2.21.767 E 
Gezonken op 26 mei 1940


Céres
Franse Cargo – burgerschip
Afmetingen : 110.74m x 14.55m x 6.50m
In gebruik genomen op juli 1918
Uit de vaart genomen in 1945 





Monique Scaffiano 
Franse Cargo - burgerschip 
Afmetingen : 107.92m x 16.66m x 6.71m
In gebruik genomen in 1929
Wrak werd door de Duitsers ontmanteld en weggenomen in 1942 
Gezonken op 27 mei 1940



Cap Tafelneh 
Franse Cargo - burgerschip 
Afmetingen : 94.79m x 13.36m X 6.12m
In gebruik genomen in maart 1920
Gezonken op 27 mei 1940 in de Wathiersluis (zie foto) en in de komende dagen weggesleept. 
terug in de vaart genomen door de Duitsers in mei 1941 onder de naam Carl Arp en naar Duitsland afgevoerd. 
door Engelsen in beslag genomen in Hamburg in 1945
Terug bij de eigenaar in 1946 en terug Cap Tafelneh genoemd. 
ontmanteld in Turkije in 1972 

zaterdag 2 mei 2015

1 juni 1940 - HMS Keith / HMS Saint Abbs / HMS Skipjack


Tussen De Panne en Duinkerke ligt de kust en de eerste mijlen bedolven onder de wrakken. Heel wat van die wrakken kwamen daar terecht tijdens de slag om Duinkerke (zie hierover dit artikel op deze blog ) tussen 26 mei en 4 juni 1940. Dit zal binnenkort 75 jaar geleden zijn. Ik ging op zoek naar een aantal van deze schepen en hun verhaal. 


  • We beginnen dit verhaal met de HMS Keith die begin sept 1939 bij het begin van de oorlog patrouille vaart langs kust Plymouth. (HMS betekent trouwens 'His (of her) Majesty's Ship'. ) Hij wordt ingezet om de Britse kust te beschermen tegen de Duitse U-boten. In oktober 1939 is er een probleem met de schroek. Keith keert terug naar Plymouth (scheepswerf) voor reparaties. In januari 1940 is hij terug zeewaardig en patrouilleert in de Ierse zee tegen U-boten. 
  • 10 mei 1940 valt Duitsland België, Nederland en Frankrijk aan. Keith vaart naar IJmuiden om van daaruit twee handelsschepen te escorteren die zilverstaven in veiligheid moeten brengen vanuit NL naar UK. 
  • Mei 1940 - Operatie “Ordonnance” – evacuatie van Britse troepen uit Nederland. Ligt zwaar onder vuur maar kan ontkomen. 
  • Een Duits bericht wordt onderschept waarin staat dat 3 schepen Duitse troepen via de Noordzee naar het Oosten zullen brengen. De Keith moet die onderscheppen. Na 2 dagen tevergeefs wachten wordt de operatie afgeblazen. 
  • 18 mei 1940 – op terugweg wordt Keith gebombardeerd door Duitse vliegtuigen, de Keith wordt niet geraakt en ontkomt. 
  • 30 mei 1940 - Keith wordt richting Duinkerke gevraagd om er ingezet te worden voor operatie Dynamo. Hij komt op 30 mei 20 uur aan in Duinkerke, neemt er 1200 soldaten aan boord en komt net na 1 uur ’s ochtends aan in Dover. 
  • 31 mei – 02.00 uur – terug naar Duinkerke – komt er aan om 06.00 uur. 
  • In de loop van 31 mei komen vice admiraal Sr Bertram Ramsay en Maarschalk Lord Gort (opperbevel van de BEF) aan boord, er wordt gevaren langs het strand richting De Panne om te kijken hoe de operatie vordert. 
  • 1 juni – net na middernacht – Keith gaat voor anker voor het strand van De Panne. De Keith ligt die nacht een paar keer onder vuur. De munitie aan boord van de Keith slinkt. 
  • 1 juni – 03.00 – Lord Gort en Sr Bertram Ramsay verlaten het schip en varen met een ander schip terug naar Dover. 
  • 1 juni – 07.00 – Keith terug onder vuur, de munitie raakt op, ze besluiten richting Duinkerke te varen.  
  • 1 juni – 08.00 – aanval door drie Duitse stukas. Wordt driemaal geraakt, roer raakt vast en het schip draait rondjes. 
  • 1 juni – 08.40 – St Abbs komt ter hulp. 
  • 1 juni - 08.44 - niet ver van de Keith ligt ook de Skipjack onder vuur. Dit schip bedoeld voor 80 bemanningsleden vaart nu met 275 soldaten die net opgepikt werden op het strand richting Engeland. Het schip wordt geraakt en kapseist. Om 8u49 ligt het schip ondersteboven in het water. Zowat niemand die toen op de Skipjack was, heeft het overleefd. 
    De Skipjack in betere tijden. 
  • 1 juni – 09:00 – nieuwe aanval op de Keith door 4 stukas – zwaar geraakt in de stoomkamer – brand breekt uit, er vallen doden. Zonder stoom heeft het schip geen kracht meer om te varen. Het wordt opnieuw zwaar geraakt aan bakboord, dreigt water te maken. Torpedo’s en dieptebommen worden overboord gegooid om hoger te liggen. Toch is het schip verder aan het zinken. Bevel om het schip te verlaten. Vraag aan mijnenveger Salamander en torpedojager Basilisk om het schip te doen zinken. Salamander schiet lading af, maar raakt Keith maar licht. Basilisk zit zelf in grote problemen. 
  • 1 juni – 09:15 – de Keith zinkt – Een deel van de bemanning kan zich in veiligheid brengen op een nabijgelegen cargoschip (De Douaisain, een Frans Cargoschip is een dag eerder dichtbij vergaan). 
  • 1 juni - 09.30 - de St Abbs wordt tot zinken gebracht worden met een deel van de bemanning van de Keith aan boord. Voor de tweede keer in minder dan een uur moeten de mannen in het water vechten voor hun leven. 
De Saint Abbs
  • 1 juni – 09:45 – HMS Keith zinkt - 123 matrozen en 8 officieren van de Keith en de Saint Abbs slagen erin om levend terug in Engeland te raken. 3 officiers en 33 matrozen laten het leven. De Salamander is het enige schip uit dit artikel die de Battle of Dunkirk zal overleven. De Skipjack, de Keith en de Skipjack rusten op de zeebodem op een zucht van elkaar.

informatie uit het Britse dossier van de Marine. 
schitterende website over de schepen wrakken voor de kust van Bray-Dunes Duinkerke. 
http://dkepaves.free.fr/


HMS Keith

Brits oorlogsschip – type Torpedojager Destroyer
Afmetingen 95m x 9,75m x 3,73m
Te water gelaten in juli 1930
In gebruik genomen in maart 1931
Gezonken op 1 juni 1940
Wrak ligt op een gemiddelde diepte van 23 m
Positie – 51.04.710 N – 2.26.710 E

HMS Skipjack 

Brits oorlogsschip – type Mijnenveger
Afmetingen 74m x 10,21m x 3,12m
Te water gelaten in januari 1934
In gebruik genomen in mei 1935
Gezonken op 1 juni 1940
Wrak ligt op een gemiddelde diepte van 16 m
Positie – 51.05.285 N – 2.28.429 E

HMS Saint Abbs 

Brits oorlogsschip – type Sleepboot  
Afmetingen 43,60m x 8,85m x 4,88m
Te water gelaten in december 1918
In gebruik genomen in maart 1919
Gezonken op 1 juni 1940
Wrak ligt op een gemiddelde diepte van 13 m
Positie – 51.04.903 N – 2.27.514 E