Zoutpannen Foto Noordhoff Uitgevers |
De zee zit uiteraard vol zout, maar dat betekent
nog niet dat het op de stranden van het ZOUT-KOT zomaar voor het rapen ligt. Er
waren heel wat bewerkingen nodig om uiteindelijk dat snuifje zout op je
patatten te verdienen. Onderzoek heeft uitgewezen dat al van 700 voor Christus
in de lage landen aan zoutwinning gedaan werd op verschillende manieren.
De simpelste manier om aan zee zout uit het water
te halen, is het gebruiken van zoutpannen. Je graaft een stukje duin uit, je
laat er water inlopen bij vloed en doet de panne terug dicht bij eb met een
dijk of een muurtje. Het water dat er blijft stil staan, verdampt langzaam. Wat
blijft liggen, is zout. Maar om zoutpannen te gebruiken heb je veel zon nodig
en die vonden de Romeinen wel aan hun eigen stranden, maar zeker niet in
Zuydcoote.
Een andere techniek was die van de moernering of de
selnering. Hierbij is de basis van de zoutwinning het turf. Turf is wat onder
de grond rest van een oud moeras (=veen), als dat moeras regelmatig overspoeld
werd door zeewater bevat de turf ook veel zout. Turf moet je branden, na het
branden blijft as over. De assen worden aangelengd met water. Dit mengsel stop
je opnieuw de oven in en dan wacht je tot al het water verdampt is en heb je
het zout op je patatjes verdiend. Het is een techniek die vooral in Nederland
vaak gebruikt werd. In steden als Zierikzee en Dordrecht haalden in de vroege
middeleeuwen heel wat van hun rijkdom uit deze moernering en het werd daar dan
ook zeer intensief gedaan. Maar door al dat 'darinkdelven' (=Hollandse term
voor het uitgraven van turf) maak je uiteraard putten, al van in de 12de
eeuw komen er problemen met het ontwateren van deze gebieden en ontstaan overal
poeltjes met stilstaand, stinkend water.
![]() |
Darinkdelven in de buurt van Zierikzee (omstreeks 1500) illustratie uit 'Vaderlandsche Historie' uit 1745 geschreven door Wagenaar |
In 1421 slaat de Sint-Elisabethsvloed toe, een van die grote stormen uit de geschiedenis. Het darinkdelven zorgt voor water aan de achterzijde van de dijken, waardoor de dijken verzwakken en uiteindelijk breken. In 1515 wordt selnering in Zeeland verboden.
![]() |
inkijk in een briquetage-oven |
In Zuydcoote was ook selnering geen optie. De romeinen
gebruikten hier de techniek van de briquetage die ze van de plaatselijke
bevolking hebben geleerd. Vanaf de IJzertijd is er sprake van de zoutwinning
via deze techniek. Men maakt potten in klei. Die potten zien er soms uit als
bekers, soms als langwerpige goten, soms als kommen. Die worden vastgezet in
een oventje. Zo'n oventje was een vuurplaats. Vervolgens nam je zeewater dat al
een tijdje lag te verdampen. De briquetage diende vooral om het laatste vocht
uit de zoutklompen te krijgen. Daarna werd de oven in gang gestoken, de klei
gaat bakken zoals in een gewone keramiekoven, het water verdampt en na het
afkoelen blijft in de oven een stenen pot achter met daarin een zoutklomp. De
pot wordt aan diggelen geklopt en wat rest is een zoutklomp die kan gebruikt
worden.
![]() |
illustratie http://echel.pagesperso-orange.fr/essai_presentation/histoire_du_sel.html |
Aan onze kusten zijn op veel plaatsen dergelijke
briquetage-plaatsen teruggevonden. Archeologen stoten op hele hopen potscherven
en de oventjes. Sommige dateren uit de IJzertijd, andere uit de Romeinse tijd.
(zie kaartje hieronder voor de Belgische kust). Ook Zuydcoote was zo'n
vindplaats uit de Romeinse Tijd. De zoutklompen van Zuydcoote en omgeving waren
bedoeld voor de mannen gelegerd in Cassel. Er liep een weg van Cassel tot
Zuydcoote waarlangs het zout werd vervoerd.
![]() |
bron: http://www.jvdn.nl/Downloads/WG/1996/TWG1996_048-059.pdf |
In de omgeving van Middelkerke werden nog recent
(bij het aanleggen van de E40) een aantal Romeinse zoutoventjes
opgegraven.
![]() |
Foto http://www.routeyou.com/ |